Dit is het scheepsjournaal van Corine Nijenhuis; ruimtelijk vormgever, schrijver en blogger. Ze kocht met haar vriend een vrachtschip ‘uit het werk’: de Henriëtte, een stalen klipper uit 1901. Ze verbouwden haar tot varend woonschip en gaven haar haar doopnaam terug: Alfons Marie.

Tekst: Corine Nijenhuis

Het sneeuwt als we de thuishaven uitvaren. Rafelige vlokken zwieren als papiersnippers door de lucht. Ze vallen op het dek maar verwaaien door de vaart waarmee Alfons Marie voortvarend haar benen strekt: eindelijk naar buiten. Het weer mag dan winters doen, koud is het niet. Toch wacht ik tot de kop van ons schip al haast onder de brug is voordat ik de stuurhut uit stap. Mooie sneeuw maakt lelijk nat. Maar de brug is laag en de marifoonantennes zijn hoog. Te hoog. Wij hebben geen automatische kantelsprieten. Wel hebben wij een sprietkantelaar. Dat ben ik. Vanaf de roef klim ik het stuurhuis op om, ongewenst, op de knieën het dak over te glijden. Ik mag dan in één ruk bij de antennes beland zijn, ook ben ik in één keer doorweekt. Het sneeuwpakket dat gniffelend lag te wachten, heeft mijn spijkerbroek overmeesterd: het is al wit wat blinkt.

Waar de wind luwt, groeit het ijs

In regenbroek leg ik bij wegstervend daglicht de lijnen rond de bolders op een verlaten kade. Het sneeuwt niet meer, het witte maangezicht tussen de wolken lijkt me uit te lachen. Ik lach vriendelijk terug. Aan mijn broek geen waterpolonaise meer. Die nacht valt de vorst binnen, al is het nog aarzelend. De sneeuw druipt geschrokken af, boven ons hoofd is het doodstil, geen vlok dwarrelt op het dakraam, geen hagelsteen tikt op het dek.

In roze ochtendlicht glibber ik door het gangboord. Op anti-slip-gezoolde laarzen, dat wel, maar zonder regenbroek; alles wat vochtig was, is gestold tot ijs. Tot de middagzon Koning Kou verslaat, dan komt de winter tot bedaren. Maar niet voor lang, ’s nachts begint het water te kraken, ’s morgens varen we de vliezen stuk die zich tegen de scheepromp hebben gevleid. Waar de wind luwt, groeit het ijs. Een smal kanaal ligt al dicht, al is de ijskorst nog dun. Wij breken met gemak, toch klinkt het gekraak erbarmelijk wanneer de boeg van Alfons Marie erop kruipt en erdoorheen zakt. Telkens opnieuw, tot open water. Daar leggen we aan voor de nacht. Een eilandje in het meer. Als ik er ’s avonds de hond uitlaat, mag ik mijn regenbroek weer aan; het miezert. De maan die tussen de wolken door piept, grijnst. Ik ook.

Een zeepbaan

In de ochtend vergaat me het lachen. IJzel heeft Alfons Marie overmeesterd. Ons schip glanst als een ijskoningin. Bij de eerste stap in het gangboord glijdt mijn anti-slip-gezoolde laars weg, ik grijp de reling net op tijd. Zijwaarts scharrel ik, stap voor stap, richting voordek. Het schuine dek is spiegelglad, onneembaar op twee benen; op handen en voeten bereik ik de bolders. De lijnen zijn vastgevroren rond het staal, ze weigeren hun greep te verslappen. Ik vloek harder dan zij kraken. Ik win. De terugtocht gaat over de laadkap. Die blijkt veranderd in een zeepbaan waar een pretpark verlekkerd naar verlangen kan. Handen en voeten volstaan niet meer, op buik en bovenbenen haal ik grommend de stuurhut. Mijn spijkerbroek is doorweekt.

Wij kiezen eieren voor geld. Wij vriezen graag in, maar niet in voedselarme oorden. Op weg naar de thuishaven geschiedt een wrang wonder, na elke afgelegde mijl stijgt de temperatuur. De laarzen kunnen uit, evenals de regenbroek. Het donkert al wanneer we de lage brug naderen, de maan glanst gemoedelijk goudgeel. Ik klim de stuurhut op om de marifoonsprieten te kantelen. Glij, ongewenst, op de knieën richting antennes. Het sneeuwdak is nu een waterbak, ik ben in één keer doorweekt.

De maan schatert. Ik niet. Ik klim omlaag en trek een regenbroek aan. Die doe ik niet meer uit voordat het zomer wordt.

Corine heeft een biografie geschreven over het schip: Een vrouw van staal. www.corinenijenhuis.com